Federale dossiers

14:30:20, 16/05/2014

Verslag van de gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming

De oprichting van de gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming  was geen sinecure. De meningen over de juiste opdracht en werkmethode liepen uit elkaar en het zou tot 8 april 2013 duren vooraleer Kamer en Senaat de oprichting van de commissie goedkeurden. Vanaf dan is er systematisch en vrij snel gewerkt en is de commissie erin geslaagd een rapport af te leveren dat een diepgaande reflectie inhoudt over hoe onze fiscaliteit de volgende jaren kan en moet evolueren.

België heeft rust gevonden, na een periode in de belangstelling gestaan te hebben op de financiële markten. Van die rust moet gebruik gemaakt worden om in samenhang met de implementatie van de zesde staatshervorming tot een globale fiscale hervorming te komen. Dit moet gebeuren in samenhang met het herstel van de concurrentiekracht. Concreet wil dit zeggen dat ook de sociale partners, de werkgevers en werknemers, betrokken moeten worden bij deze hervorming.

 

Natuurlijk moet ook de burger erbij betrokken worden want deze zal pas kunnen aanvaarden dat bepaalde voordelen verdwijnen indien hij overtuigd wordt van de samenhang en het belang van een grote hervorming waar uiteindelijk iedereen beter van wordt.

 

De noodzaak van het verlagen van de lasten op arbeid was het belangrijkste aandachtspunt van de commissie. Uit internationale en Europese rapporten blijkt steeds opnieuw dat België arbeid te zwaar belast. Het impliciete belastingtarief op arbeid bedroeg in België 42,8 % in 2011, het hoogste tarief van de Europese Unie. Er wordt steeds opnieuw gewezen op de grote kloof tussen de loonkosten voor de werkgevers en het nettoloon van de werknemers, die op dit moment 56 % bedraagt. Deze kloof moet op korte termijn aanzienlijk worden gedicht om de concurrentiekracht te versterken en de participatiegraad te verhogen, wat de hele economie ten goede zal komen.

 

Het IMF, de OESO, de Europese Commissie en de Hoge Raad van Financiën pleiten allemaal voor een verschuiving van lasten op arbeid naar lasten op consumptie, kapitaal en milieu. Uit berekeningen van de Hoge Raad van Financiën blijkt dat een vermindering van de lasten op arbeid met 1 % een kostprijs heeft van 1,92 miljard euro.

 

Dat cijfer werd ook aangehaald tijdens een hoorzitting met minister van Financiën Geens, die eraan toevoegde dat ter vergelijking een verhoging van de lasten op consumptie via een verhoging van de btw-tarieven met 1 % additionele belastinginkomsten ten belope van 1,76 miljard euro genereert of een tekort van 160 miljoen euro. Ik geef dat mee om te illustreren over welke orde van grootheid het gaat.

 

Als wij het hebben over de lasten op arbeid, spreken wij zowel over socialezekerheidsbijdragen als over personenbelasting.

 

Socialezekerheidsbijdragen vertegenwoordigen een aanzienlijk deel van de lasten op arbeid.

 

De socialezekerheidsbijdragen voor werkgevers lopen gemiddeld op tot 30 % van het brutoloon, terwijl de socialezekerheidsbijdragen voor werknemers gemiddeld tot 14 % van het brutoloon oplopen.

 

De Belgische sociale zekerheid is over de jaren heen geëvolueerd van een verzekeringssysteem naar een solidariteitssysteem waarbij de grens tussen socialezekerheidsbijdragen en belastingen vaag is geworden.

 

De sociale zekerheid dekt vandaag niet alleen de risico’s van verlies van arbeidsinkomen ten gevolge van werkloosheid, pensionering, arbeidsongeschiktheid, maar dient eveneens de financiering van sociale behoeften, meer bepaald kinderbijslag en gezondheidszorg. Daardoor volstaan de socialezekerheidsbijdragen, betaald door werkgevers en werknemers, vandaag niet langer om de sociale zekerheid exclusief te financieren.

 

Ook andere middelen moeten worden aangewend, in het bijzonder belastingontvangsten. In 2012 ging het om een bedrag van 15,6 miljard euro, dat 15,7 % van de totale belastingontvangsten vertegenwoordigt.

 

In dat kader kan er eventueel worden overwogen om een deel van de sociale zekerheid rechtstreeks te financieren met fiscale middelen zonder dat er afbreuk aan het bestaande overlegmodel wordt gedaan. Daarbij kan worden gedacht aan de sociale behoeften die niet gerelateerd zijn aan arbeid en die aan de Gemeenschappen zullen worden overgedragen ten gevolge van de zesde staatshervorming. Zo worden de Gemeenschappen bevoegd voor kinderbijslag voor een bedrag van 6,8 miljard in 2015, bepaalde sectoren van ouderenzorg voor een bedrag van 3,6 miljard in 2015 en gezondheidszorg voor een bedrag van 1,5 miljard in 2016.

 

Vandaag worden die sociale bevoegdheden gefinancierd met socialezekerheidsbijdragen, na de zesde staatshervorming met nieuwe dotaties, waardoor de bestaande link tussen die sociale behoeften en de socialezekerheidsbijdragen nog meer zal verdwijnen. Op die manier kunnen de socialezekerheidsbijdragen betaald door werkgevers en werknemers, worden herleid tot hun essentie, met name bijdragen ten behoeve van een verzekeringssysteem dat arbeidsrisico’s dekt. Tegelijkertijd kan een dergelijke hervorming ruimte creëren om de zware lasten van de socialezekerheidsbijdragen voor werkgevers te verminderen.

 

Naast socialezekerheidsbijdragen zijn inkomsten uit arbeid ook onderworpen aan personenbelasting. In 1962 heeft de Belgische wetgever een serie specifieke belastingen op bronnen van inkomsten vervangen door een algemene inkomstenbelasting waarbij alle inkomsten, ongeacht hun bron, op dezelfde wijze zouden worden belast. Het principe van globalisatie is doorheen de tijd een fictie geworden. Zo worden onroerende inkomsten onderscheiden belast naargelang het om een eerste of een tweede woning gaat, naargelang de eigenaar er zelf in woont of niet, naargelang het pand wordt verhuurd voor privé of professioneel gebruik, naargelang het pand gelegen is in België of in het buitenland. Roerende inkomsten worden afzonderlijk belast tegen meestal 25 % bevrijdende roerende voorheffing, een systeem dat werd ingevoerd in 1983.

 

Het principe van globalisatie is vandaag het meeste zichtbaar bij de beroepsinkomsten die progressief worden belast.

 

De personenbelasting is doorheen de tijd te veel gaan afwijken van haar originele doel, namelijk enerzijds inkomsten genereren om algemene uitgaven te financieren en anderzijds inkomsten herverdelen tussen gezinnen en alleenstaanden in verschillende inkomensklassen. De personenbelasting zou opnieuw neutraler moeten worden gemaakt ten aanzien van de oorsprong van het inkomen.

 

De personenbelasting zou bij voorkeur zo weinig mogelijk moeten worden gebruikt om gedrag te sturen indien daartoe andere geschikte maatregelen bestaan. Zo staan belastingaftrekken en –verminderingen, die geen verband houden met de belastbare inkomsten of de individuele situatie van de belastingplichtige, een rechtvaardige verdeling van het inkomen in de weg vanwege het zogenaamde mattheuseffect.

 

Daarnaast zou de personenbelasting ook evenwichtiger moeten worden op bepaalde vlakken. Zo is het onaanvaardbaar dat niet werken in bepaalde omstandigheden een netto hoger inkomen oplevert dan wel werken. Zo zou het belastingsysteem promotie moeten aanmoedigen. Het zou moeten vermijden dat bepaalde beroepsgroepen worden aangemoedigd om een vennootschap op te richten of te verhuizen naar het buitenland om fiscale redenen. Een hervorming moet ertoe leiden dat de personenbelasting opnieuw als rechtvaardig wordt ervaren.

 

Vervolgens wil ik het ook hebben over de tax shift.

 

Tax shift betekent dat belastingen worden verhoogd in bepaalde gebieden om belastingen te verlagen in andere gebieden. Het gaat dus niet om een verhoging van de belastingdruk, maar enkel om een rechtvaardiger verdeling ervan.

 

Wat consumptie betreft, lijken er twee types van belastingen geschikt om bij te dragen tot de tax shift, met name de btw en de accijnzen.

 

Wat btw betreft, worden twee internationale parameters gebruikt om de performantie van een btw-systeem te meten, met name de VAT revenue ratio en de VAT gap.

 

De VAT revenue ratio is een instrument ontwikkeld door de OESO. De laatst berekende VAT revenue ratio voor België bedraagt 48 %. Dit betekent dat op elke 100 euro verkochte goederen en diensten waarop 21 % btw zou moeten drukken in een theoretisch zuiver btw-systeem, de consument gemiddeld slechts 10 euro btw betaalt. In andere landen is de VAT revenue ratio beduidend hoger: in Nederland 57 %, Duitsland 56 %, Zweden 58 % en Denemarken 59 %. Het OESO-gemiddelde bedraagt 56 %. In 1980 had België nog een VAT revenue ratio van 61 % tegenover 48 % vandaag.

 

De VAT revenue ratio kan worden verbeterd door de belastbare basis te verbreden. Om het OESO-gemiddelde te benaderen, moeten aanpassingen aan het btw-systeem worden gerealiseerd voor een bedrag van ongeveer 4,5 miljard euro. Uit berekeningen van de Hoge Raad van Financiën blijkt dat dit bedrag een arbeidslastenvermindering vertegenwoordigt van iets meer dan 2 %.

 

Naast de VAT revenue ratio is er de VAT gap, een instrument ontwikkeld door de Europese Commissie. De laatst berekende VAT gap voor België bedraagt 16 %. Dat betekent dat 16 % van de aangerekende btw niet terechtkomt in de Staatskas. De VAT gap wordt niet alleen veroorzaakt door fraude, maar ook door faillissementen, statistische fouten, uitgestelde betalingen, enzovoort. In sommige buurlanden en Scandinavische landen is de VAT gap beduidend lager: in Nederland 9 %, Duitsland 12 %, Zweden 2 % en Denemarken 10 %. Het Europees gemiddelde bedraagt 20 %.

 

De VAT cap kan worden verbeterd door de strijd tegen fraude nog te versterken en te werken aan efficiëntere invorderings- en controlesystemen. Bij het nemen van btw-maatregelen dient er voldoende aandacht te zijn voor de effecten op de koopkracht van de huishoudens en de concurrentiekracht van de ondernemingen.

 

Er is niet alleen btw, maar er zijn ook accijnzen. Uit de inventaris van de federale fiscale uitgaven, jaarlijks toegevoegd aan de rijksmiddelenbegroting, blijkt dat België beschikt over talrijke verminderingen en vrijstellingen in de accijnzen. In 2011 waren dergelijke belastingsvoordelen goed voor 2 miljard euro of 32,2 % van de opbrengst van de accijnzen dat jaar. Het is welbekend dat België bij de omzetting van de energiebelastingrichtlijn in 2004 bijna alle beschikbare vrijstellingen en verminderingen heeft ingevoerd. In het licht van een tax shift zullen ook de talrijke fiscale uitgaven zorgvuldig moeten worden herbekeken.

 

Ten slotte, zijn er de milieubelastingen. Verschillende internationale organisaties adviseren België om de bestaande milieubelastingen te versterken en nieuwe te introduceren. De Hoge Raad van de Financiën suggereert de hervorming van de accijnzen op energieproducten in functie van milieucriteria, zoals de CO2-uitstoot, te onderzoeken.

 

Een tax shift gaat niet enkel om de vervanging van bestaande belastingen door andere belastingen om de fiscale druk rechtvaardiger te verdelen. Het gaat ook om een grondige evaluatie van bestaande belastingvoordelen. Het Belgische belastingssysteem voorziet in allerlei belastingvoordelen. In 2010 waren die belastingvoordelen goed voor 23 miljard euro of 28,6 % van de totale belastingontvangsten dat jaar.

 

De laatste inventaris van de federale fiscale uitgaven telt maar liefst 199 pagina’s. Tien jaar geleden ging het om 116 pagina’s en twintig jaar geleden om slechts 60 pagina’s. Vaak zijn deze belastingvoordelen echter niet meer dan gerichte compensaties voor de hoge fiscale druk in België, die in 2011 44,1 % van het bbp bedroeg.

 

In één van de hoorzittingen sprak professor Bruno Peeters over het ontkleden van de fiscale kerstboom. Hij stelt dat we in de eerste plaats moeten uitgaan van het draagkrachtbeginsel. Eventuele correcties hierop zijn voor hem enkel mogelijk op grond van herverdeling. Alle regels die sturend of instrumenteel zijn bedoeld, moeten aan een kritisch onderzoek worden onderworpen. Er dient een einde te worden gemaakt aan de instrumentalisatie van de fiscaliteit voor andere doeleinden dan het innen van middelen voor de staat.

 

Instrumentalisme kent volgende nadelen: het belastingstelsel is te ingewikkeld, het doorkruist de coherentie van het systeem, de fiscale incentives veroorzaken ook onnodig een impliciete belastingdruk op arbeid die te hoog wordt, want men creëert fiscale uitgaven die elders moeten worden gecompenseerd en het draagkrachtbeginsel wordt doorkruist. Persoonlijk zou ik mij wat fiscale uitgaven betreft, beperken tot pensioensparen, de woonbonus en de giften. Het verminderen van bepaalde uitzonderingen moet het mogelijk maken om de algemene tarieven te doen dalen.

 

Een andere belangrijke belasting is de vennootschapsbelasting. De laatste twintig jaar werd een aantal fiscale maatregelen genomen om het land aantrekkelijk te maken voor Belgische en buitenlandse investeerders. De meest bekende zijn de notionele intrestaftrek, de octrooiaftrek en het belastingkrediet voor R&D-activiteiten.

 

De Belgische vennootschapsbelasting zou tijdens de volgende legislatuur gealigneerd moeten worden met belastingsystemen van andere Europese lidstaten, zodat België zijn troeven als open en gemengde economie kan blijven uitspelen en multinationals hun investeringen en vestigingen in België behouden en zelfs uitbreiden.

 

Om kmo’s en minder kapitaalintensieve bedrijven tegemoet te komen, ben ik voorstander van een duaal systeem. In het rapport zien wij echter dat de Hoge Raad van Financiën de kostprijs heeft berekend. Het zou vergen dat daarvoor een aantal compensaties gezocht dient te worden. Dat is ongetwijfeld werk voor de volgende commissie voor de Financiën.

 

Een ander facet dat door het volgende Parlement bekeken moet worden, is de relatie tussen de fiscus en de belastingplichtige, die de laatste jaren niet optimaal was. In een korte regeerperiode werd veel nieuwe wetgeving goedgekeurd, waardoor er een spanning ontstond tussen de fiscus en de belastingplichtige. Mijn fractie is een grote voorstander van een betere relatie tussen de belastingplichtige en de fiscus. Het innen van belastingen is noodzakelijk in een moderne samenleving. Wederzijds vertrouwen maakt het voor de overheid mogelijk om efficiënter te werken en biedt meer zekerheid voor de burgers. Enerzijds moet de burger kunnen vertrouwen op vaste gedragsregels van de overheid, anderzijds moet de overheid snel en flexibel kunnen ingrijpen, indien nieuwe fiscale wetten leiden tot onvoorziene gevolgen.

 

Minister van Financiën Koen Geens heeft de eerste stappen gezet in de zogenaamde “taxificatie”, een pacificatie op gebied van de fiscaliteit. De minister heeft verschillende actoren rond de tafel gebracht: de vertegenwoordigers van de economische en juridische beroepen, de ondernemersorganisaties en de FOD Financiën. Samen hebben zij enkel pijnpunten in de toepassing van bepaalde wetten besproken en geharmoniseerd. Het is op deze weg dat wij moeten doorgaan om uiteindelijk tot een duurzame, wederzijdse vertrouwensrelatie te komen.

 

Gisteren werden de vertegenwoordigers van de cijferberoepen in de commissie voor de Financiën en voor de Begroting ontvangen. Zij hebben zich allen lovend over de nieuwe manier van werken uitgelaten.

 

Door samen te werken, bereikt men veel meer dan door elkaar tegen te werken.

 

Ook wij allen hebben in onze hoedanigheid van wetgever een verantwoordelijkheid. Er moet een extra mechanisme worden uitgewerkt om een betere fiscale wetgeving tot stand te brengen. In de commissie werden daartoe diverse waardevolle suggesties geformuleerd, onder andere door Frédéric Panier, Piet Vandendriessche en professor Marc Bourgeois. Zij stellen de hiernavolgende maatregelen voor: een voorafgaande impactstudie en evaluatie van de wetgeving, meer gegevens voor onderzoek, betere inwerkingtreding van fiscale wetten en een absolute stop voor retroactieve fiscale wetgeving.

 

Collega’s, er zijn uitdagende tijden in het vooruitzicht. De doordachte belastinghervorming die zowat alle partijen tijdens de volgende legislatuur denken te realiseren, creëert een belangrijke opportuniteit voor ons land. Een rechtvaardig evenwicht vinden tussen belastingen op arbeid, kapitaal, consumptie en milieu kan van België immers een betere plaats maken om te leven, te werken en te investeren.

 

De grote verdienste van de gemengde parlementaire commissie belast met de fiscale hervorming is dat alle politieke partijen een grondige reflectie over fiscaliteit hebben gemaakt. De experts hebben verschillende knelpunten en oplossingen aangereikt. Op basis van het werk in de commissie hebben de partijen dan ook een gedeelte van hun verkiezingsprogramma uitgewerkt.

 

Voor CD&V betekent dit het voorstel om de belastingvrije som te verhogen van 6 990 tot 9 808 euro, waardoor het werken wordt aangemoedigd. Deze maatregel past in de vier principes voor de hervorming van de fiscaliteit: het aanmoedigen van werk, meer rechtvaardigheid, eenvoud en transparantie, en niet gedragssturend. Voor mensen die belastingen betalen leidt deze verhoging tot een maximale belastingvermindering van 700 euro.

 

Door de verhoging van de belastingvrije som wordt werken meer lonend, zeker voor de laagste inkomens. Hoe lager het loon is, hoe hoger de vermindering van de gemiddelde aanslagvoet. Deze hervorming zal leiden tot activering en zal meer mensen aan de slag zetten, en heeft dus positieve effecten op de economie.

 

De verhoging van de belastingvrije som is ook een heel rechtvaardige maatregel. De correctie gebeurt onderaan in de berekening van de belastingen en geeft dus een bijna gelijk voordeel aan iedereen die vandaag belastingen betaalt.

 

Het voorstel past ook in de vereenvoudiging van de fiscaliteit. Er worden geen bijzondere aftrekposten voor een speciale groep gecreëerd en er is geen extra berekening nodig bij de belastingaangifte. Voor dit programmapunt vond CD&V een wetenschappelijke basis in de betogen in de commissie van onder meer professor Axel Haelterman, professor Bruno Colmant, professor André Decoster en professor Bruno Peeters. Ook de Hoge Raad van Financiën stelde dat een dergelijke maatregel zou leiden tot een hogere arbeidsparticipatie.

Het is duidelijk dat fiscaliteit een centraal thema zal worden in de verkiezingen. De werkzaamheden in de gemengde commissie voor de Fiscale Hervorming moeten ons in staat stellen om het debat diepgaand te voeren. Na de verkiezingen zal het dossier van de belastinghervorming terechtkomen bij de nieuwe commissie voor de Financiën van de Kamer.

Zoals ik reeds zei, wordt onderhavig rapport verplichte vakantieliteratuur voor de nieuwe leden. Het lijkt mij belangrijk dat de werkzaamheden door de nieuwe commissie onmiddellijk worden aangevat en dat zij binnen een termijn van twee jaar worden afgerond, zodat nog drie jaar van de volgende legislatuur overblijft voor een geleidelijke implementatie. Op die manier wordt de nodige tijd gegeven aan burgers en ondernemingen om zich aan te passen.

Ten slotte, sta ik er als voorzitter van de commissie op, namens heel de commissie, de commissiesecretariaten van Kamer en Senaat te danken voor hun deskundige begeleiding. Zij hadden met onze gemengde commissie geen gemakkelijke opdracht.

 

Deel dit nieuwsbericht

Share on Facebook


Vorige pagina: Lokale dossiers
Volgende pagina: Dossierarchief